Mijn foto

Enter your email address:

Delivered by FeedBurner

Mijn Blogroll

  • Ik ben op de volgende RSS-feeds geabonneerd

Kan een microblogplatform gebruikt worden als elektronische leeromgeving?

Dit was één van de vragen die twee Roemeense onderzoekers wilden beantwoorden in een case studie waarover het paper Using microblogging in education gaat. In dit onderzoek is verder onder meer gekeken naar de verschillen tussen het faciliteren van een online cursus via een microblog applicatie en een elektronische leeromgeving (ELO).

De onderzoekers hebben daarbij gebruik gemaakt van de applicatie Cirip.ro: een tool die lijkt op Twitter maar die ook andere mogelijkheden heeft, zoals het formeren van groepen. Andere functionaliteiten zijn een tagcloud en netwerkoptie (relaties zichtbaar maken).

De auteurs concluderen positief over het gebruik van microbloggen binnen het onderwijs. Lerenden hebben de kracht ervaren van communiceren, connecties en immediacy. Zij constateren bijvoorbeeld ook dat de communicatie tussen lerenden niet stopt als de cursus voorbij is. De gebruikte microblogtool is volgens hen zeer geschikt voor waardevolle interacties en als sociale factor binnen een ELO. Tegelijkertijd vraagt deze manier van communiceren veel van een docent die het leerproces faciliteert, en van lerenden die de interacties willen volgen. Daarom bevelen zij aan de microblogtool alleen in te zetten tijdens kortdurende cursussen.

Het paper laat volgens mij zien dat je een medium als Twitter op z'n eigen merites moet beoordelen. Je wordt inderdaad hoorndol als je probeert alle bijdragen, die de mensen in je netwerk posten, te volgen. Je moet dus anders omgaan met microblogtools, dan met een ELO. Deze tools zijn volgens mij vooral handig om patronen te herkennen en 'toevallig' te leren (serendipity)

Using microblogging in education. Case Study: Cirip.ro

Mobile learning kit

Bij toeval kom ik vandaag terecht op de site van de Australische mobile learning kit. Met behulp van deze tool kunnen docenten leeractiviteiten ontwikkelen waarbij gebruik wordt gemaakt van mobiele telefoons en computers met internetaansluiting. Docenten kunnen ook lerenden leeractiviteiten ermee laten ontwikkelen.

MiLK is a Mobile Learning Kit that connects students and teachers through simple and effective technology and pushes the boundaries of the teaching and learning beyond the classroom into the other environments students inhabit both now and in the future.

Met behulp van dit gereedschap ontwikkel je een soort leerpaden waar je via sms door heen wordt geleid. De website bevat ook een aantal praktijkvoorbeelden, bijvoorbeeld over het gebruik van mobile learning binnen een botanische tuin.

Participatief leren: de toekomst van het onderwijs

The Future of Learning Institutions in a Digital Age maakt deel uit van een aantal rapporten over digitale media en leren. In dit rapport verkennen Cathy Davidson en David Theo Goldberg de potentie van internettechnologie voor samenwerkend en interactief leren. Dankzij internettechnologie kan leren plaats vinden binnen een wereldwijde gemneenschap, en is er geen beperking aan de uitwisselbaarheid van ideeën.

Dit fenomeen zou eigenlijk aanleiding moeten zijn om na te denken over andere modellen van leren (en de organisatie van het leren). De auteurs schetsen echter een beeld van onderwijsinstellingen die veel langzamer veranderen, dan je zou verwachten op basis van de technologische veranderingen waar de samenleving mee te maken heeft. De wezenlijke kenmerken van het internet (wijd verspreid, gedecentraliseerd, virtueel, weinig hiërarchisch, informeel, gericht op participatie en collaboratie) pasen namelijk slecht bij het het vigerende onderwijssysteem.

De auteurs pleiten daarom voor participatory learning:

Participatory learning includes the many ways that learners (of any age) use new technologies to participate in vir- tual communities where they share ideas, comment on one another’s projects, and plan, design, implement, advance, or simply discuss their practices, goals, and ideas together. (...).In participatory learning, out- comes are typically customizable by the participants.

De auteurs vertalen participatief leren in tien principes:

  • Zelf leren
  • Horizontale structuren
  • Van veronderstelde autoriteit naar collectieve geloofwaardigheid
  • Decentrale didactiek
  • Leren in netwerken (networked learning)
  • Open source onderwijs
  • Leren als connectiviteit en interactiviteit
  • Een leven lang leren
  • Leerinstituten als mobiliserende netwerken
  • Flexibele schaal en de mogelijkheid om te simuleren

The Future of Learning Institutions in a Digital Age is typisch zo'n rapport dat voor de ingevoerde lezer weinig nieuws bevat, maar dat de ontwikkelingen (en de impact ervan) bondig samenvat. Wat opvalt is het ontbreken van een groot aantal usual suspects die over de verschillende aspecten uitgebreid hebben geschreven (zoals Stephen Downes of George Siemens). Verder valt op dat de auteurs in de bijlage de school van de toekomst uit Philadelphia als een succesvol voorbeeld beschrijven, terwijl je je kunt afvragen of hier wel sprake is van een groot succes.

Ik denk overigens dat niet alleen onderwijsinstellingen langzamer bewegen, dan je zou verwachten op basis van technologische veranderingen. Het hele onderwijssysteem (dus ook wet- en regelgeving) en andere branches (denk aan de traditionele media zoals kranten, tijdschriften en TV) passen nieuwe technologieën vaak uitsluitend aanvullen of vervangend toe (maar niet innovatief, laat staan transformatief).

Via Gary Woodill

Universiteit Oxford over op Sakai

Ik vond het erg stil geworden rond de elektronische leeromgeving Sakai. Maar nu lees ik bij Michael Korcuska dat de Britse universiteit van Oxford Sakai organisatiebreed gaat invoeren, na een succesvolle pilot. Deze universiteit gebruikte tot nu toe Bodington, een Brits product. In Nederland krijgt Sakai binnen het hoger onderwijs tot dusver niet echt een voet aan de grond.

VS-regering stimuleert gratis online leren

De regering van Barack Obama werkt volgens Inside Higher Ed aan een plan waarbij scholen geld kunnen krijgen voor de ontwikkeling van gratis online cursussen. Dit initiatief zou deel uit maken van een breder plan voor verbetering van het onderwijs. In tien jaar tijd zou 9 miljard dollar gemoeid zijn met het omvangrijke plan. Ook kunnen scholen daarnaast 10 miljard dollar tegen geen of een lage rente lenen.

Het artikel in Inside Higher Ed laat ook Curtis Bonk aan het woord. Volgens Bonk zouden gratis online cursussen binnen het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs wel eens een grotere impact op de toegankelijkheid van het onderwijs kunnen hebben dat de open courseware projecten van universiteiten.

De 20-25 cursussen die op die manier jaarlijks beschikbaar komen, moeten ook aan een aantal criteria voldoen. Ze moeten bijvoorbeeld gericht zijn op een beroepsloopbaan en het moet mogelijk zijn de cursus binnen verschillende leeromgevingen te gebruiken. Ook komen er nationale examens waarmee je de cursus kunt afronden.

Een zorgpunt is de beschikbaarheid van computers en internetverbindingen voor jongeren voor wie de cursussen zijn bedoeld.

De bijdrage Obama Administration: Technology at the Heart of Education Reform illustreert overigens ook de sense of urgency en het vertrouwen Van Obama cs in de rol van ICT bij onderwijsvernieuwingen.

Ik hoop dat minister Plasterk zich laat inspireren doot het initiatief van de gratis online cursussen. In Nederland wordt het onderwijs momenteel niet geprikkeld om leerstof vrij beschikbaar aan te bieden.  Laat staan complete online cursussen. Een faciliteit als Wikiwijs is alleen onvoldoende. 

Overigens zal menig school zich wel moeten bij laten staan door onderwijsontwikkelaars. Want een online cursus ontwikkelen doe je niet een-twee-drie.

Doet het medium er niet toe?

Twee dagen geleden besteedde ik aandacht aan een Amerikaanse metastudie over de effectiviteit van online leren. Ik heb onder meer beweerd het onzinnig te vinden om vandaag de dag uitspraken te doen over de effectiviteit van (t)e-learning, op basis van studies uit 1996. Wat betreft technologie, didactiek en onderwijsontwerp heeft online leren immers een enorme ontwikkeling doorgemaakt, schreef ik.

In een reactie verwijt David Berg mij o.a. dezelfde fout te maken waarop deze metastudie de vinger legt: het is niet zozeer de technologie, maar het instructie-ontwerp dat het verschil maakt.

Behalve dat ik het in mijn reactie ook heb over een andere didactiek en onderwijsontwerp, ben ik wel gaan nadenken over de rol van technologie bij effectieve vormen van (t)e-learning.

Doet het medium er inderdaad niet toe?

Ik ben nogal gefascineerd door de opvatting van Marshall McLuhan dat media individuen en de maatschappij beïnvloeden. Door bepaalde technologieën te gebruiken, gaan mensen zich anders gedragen. Dankzij mobiele telefoons kunnen we hele dagen communiceren (en doen veel mensen dat ook). We stellen nu vragen via Google die we vroeger niet stelden.

Zou je deze lijn ook niet door kunnen trekken naar leren? Met andere woorden: beïnvloeden veranderende technologieën ook de manier waarop wij opleiden en leren? In 1996 beschikten we over een beperkt aantal internettechnologieën. Als ik me niet vergis, kwamen toen net 'frames' binnen webpagina's op, waardoor navigeren gemakkelijker werd. Communiceren ging alleen via email, gebruikersonvriendelijke fora of het IRC. Anno 2009 zijn webtechnologieën bij uitstek geschikt voor samenwerken en co-creatie.

Paul Kirschner heeft een aantal jaren geleden geschreven over zogenaamde affordances.

de waargenomen eigenschappen van een ding in samenhang met een gebruiker die beïnvloedt hoe het wordt gebruikt.

Technologieën (denk aan een elektronische leeromgeving, maar ook een wiki) hebben volgens Kirschner ook onderwijskundige en sociale 'affordances'. Affordances kun je volgens Kirschner overigens niet los zijn van de context. 

In dit verband is ook de interpretatie van Rob Martens van de self determination theory van Ryan en Deci relevant. Martens stelt o.a. dat sociale software kenmerken heeft die sterk appelleren  een gevoel van sociale verbondenheid en autonomie. En daarmee positief van invloed zijn op de intrinsieke motivatie (en daarmee op prestaties).

Als ik McLuhan, Kirschner en Martens combineer, dan kom ik tot de conclusie dat je bij het ontwikkelen van leertrajecten ook moet kijken naar de onderwijskundige en sociale 'affordances' van technologieën. Dus ook naar de media op zich. Daarnaast kan  het beschikbaar stellen van bepaalde technologieën zelf ook  leiden tot andere manieren van leren. Mogelijk dat dit vooral gaat werken bij meer informele dan overwegend formele manieren van leren. Ook zal het m.i. niet gaan werken bij lerenden die nooit autonomie hebben gehad bij de vormgeving van hun leerproces.

Hier is echter weinig oog voor bij onderwijsonderzoek, als je het mij vraagt.

Videofragmenten van DVD naar ELO

Op dit moment ben ik onder meer betrokken bij de implementatie van de leeromgeving Fronter. Vandaag kreeg ik de vraag of het mogelijk is filmpjes van een DVD via Fronter toegankelijk te maken, zodat lerenden en onderwijsgevenden er altijd en overal bij kunnen.

Nu zijn die zogenaamde VOB-bestanden erg omvangrijk (honderden MB's groot). Ondanks dat bandbreedte steeds minder een issue is, is dit voor de doorsnee gebruiker toch wat veel van het goede. Ik ben daarom op zoek gegaan naar tools waarmee je deze VOB-bestanden kunt converteren, comprimeren en streaming aan kunt bieden.

Helaas zit copyright op de films, zodat ik ze niet kan publiceren op YouTube. Je kunt op YouTube of Surfmedia films voor een beperkte groep toegankelijk maken. Bij YouTube kun je de toegang beperken tot 25 personen. Bij Surfmedia kun je via e-mailadressen of domeinen de toegankelijkheid beperken. Volgens mij werkt dit helaas niet handig als je een filmpje vanuit een elektronische leeromgeving wil linken of embedden.

Bij Vimeo hebben ze een vriendelijkere optie: je kunt een video van een wachtwoord voorzien. Zo'n wachtwoord kun je dan via de leeromgeving communiceren. Beter dan niets, zullen we maar zeggen.

Via Twitter en Facebook kreeg ik nog een aantal tips, waarvan ik er uiteindelijk één heb gebruikt:

Van deze laatste tool heb ik de Mac-versie geïnstalleerd en met veel plezier gebruikt. De tool is erg intuïtief. Je kunt er een groot aantal videoformats mee converteren, o.a. naar mp4-, flv- en swf-formaat. Bestanden worden daarmee vele malen kleiner. Je kunt bestanden ook geschikt maken voor -bijvoorbeeld- de iphone.


Maar het meest handige is natuurlijk dat je je niet druk hoeft te maken om beveiliging en dergelijke educatieve content vrij beschikbaar is.

De wet van Murphy bij onderwijsinnovatie

Het had zo mooi kunnen zijn. De Philadelphia's School of the Future (SOF) was van plan het onderwijs in de VS eens flink op te schudden:

It would teach at-risk students critical 21st-century skills needed for college and the work force by emphasizing project-based learning, technology, and community involvement.

Bron

Helaas: het door Microsoft-ondersteunde initiatief is op een flop uitgelopen. Het artikel School of the Future: Lessons in failure probeert de belangrijkste oorzaken te achterhalen.

  • Er is vooral geïnvesteerd in een mooi gebouw en goede voorzieningen. Deze randvoorwaarden leiden alleen niet tot innovaties.
  • Een curriculum planningscommissie (ahum) moest werken met onderliggende principes, die niet eenduidig waren (maar vaag en algemeen). Er was geen sprake van een goed doordachte visie.
  • De professionalisering van docenten, bij de start, was erg beperkt.
  • Materialen waren uitsluitend online beschikbaar, terwijl de school met technische problemen kampte (geen betrouwbare en stabiele ICT-omgeving).
  • Er was onvoldoende technische ondersteuning.
  • Leerlingen waren niet in staat hun laptops fatsoenlijk te beheren.
  • Er was onvoldoende gelegenheid om als school een band te scheppen met de gemeenschap waarvoor men wilde werken.
  • Er was sprake van een groot aantal wisselingen in de schoolleiding.
  • Er was geen consistentie wat betreft didactiek.
  • De manier van beoordelen paste niet bij de eisen van het vervolgonderwijs.
  • Het artikel is één grote illustratie van de wet van Murphy bij ondewijsinnovaties. Ook laat de bijdrage zien dat het een groot risico is als je een sponsor veel invloed geeft op de inhoud en organisatie van het onderwijs. Een bedrijf als Microsoft heeft onderwijsinnovatie niet als core business maar zat bij de Philadelphia's School of the Future wel flink 'aan de knoppen te draaien'.

    In het artikel komen overigens ook experts aan het woord die stellen dat dit initiatief helemaal niet zo vernieuwend is, of dat het nog te vroeg is voor een oordeel.

    Liever gamen dan sporten?

    Karl Kapp kreeg laatst het verwijt wel erg positief te oordelen over video games, en onvoldoende oog te hebben voor de negatieve aspecten ervan. Kinderen zouden positievere dingen leren van georganiseerd sporten, in plaats van video games.

    In What Sports Teach Our Kids and Why Video Games are Better illustreert hij dat sporten in clubverband lang niet altijd positief bijdraagt aan de ontwikkeling van jongeren. Jongeren leren er te winnen ten koste van alles (en anderen). En ze leren bijvoorbeeld dat ze minder goede spelers kwijt moeten raken. Volgens Kapp neemt ook het geweld binnen sport sterk toe.

    Met behulp van video games leren kinderen bekwaamheden als strategisch en analytisch denken, plannen, problemen oplossen en beslissingen nemen. Ook kun je praktische vaardigheden in een veilige omgeving oefenen en moeilijke handelingen herhalen.

    Ik ben groot voorstander van het bevorderen van actief sporten. Maar Kapp heeft wel een punt. Jongeren leren er lang niet uitsluitend positieve zaken van. Ik beschouw zijn bijdrage vooral als een spiegel voor mensen die geen oog hebben voor de positieve kanten van video games. Zij overdrijven de negatieve kanten van video games, en hebben onvoldoende oog voor de krachtige eigenschappen ervan.

    Metastudie online leren illustreert zinloosheid evidence based onderzoek

    Via Tom Werner's blog heb ik deze Amerikaanse metastudie ontdekt over de effectiviteit van online leren.

    De onderzoekers hebben meer dan duizend onderzoeksrapporten bestudeerd, die in twaalf jaar tijd zijn verschenen.

    Analysts screened these studies to find those that (a) contrasted an online to a face-to-face condition, (b) measured student learning outcomes, (c) used a rigorous research design, and (d) provided adequate information to calculate an effect size.

    De onderzoekers hebben uit deze studies 51 effecten gevonden, met name bij oudere lerenden (er bestaat weinig onderzoek naar (t)e-learning bij kinderen). Zij constateren onder meer dat online leren gemiddeld tot betere prestaties leidt dan face to face leren. De beste leerresultaten worden echter bereikt als sprake is van een mix van online en face to face leren. Een andere  bevinding is dat de effectiviteit van online leren los staat van de inhoud en doelgroep.

    Tegelijkertijd stellen zij dat de omstandigheden -waaronder de lerenden leerden- sterk verschilden (online lerenden konden in een studie bijvoorbeeld meer tijd aan een taak besteden). De onderzoekers vragen zich zelfs af of de omstandigheden niet meer van invloed zijn op de studieresultaten, dan het medium. Zij geven ook aan dat binnen studies bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met curriculum materialen, didactiek en tijd die besteed wordt aan leren. Een belangrijke conclusie luidt dan ook

    In many of the studies showing an advantage for online learning, the online and classroom conditions differed in terms of time spent, curriculum and pedagogy. It was the combination of elements in the treatment conditions (which was likely to have included additional learning time and materials as well as additional opportunities for collaboration) that produced the observed learning advantages.

    Het onderzoek lijkt een antwoord te willen zijn op de behoefte van beleidmakers naar 'bewijsmateriaal' naar wat goed onderwijs is. Wat het rapport echter in wezen doet is de zinvolheid van evicence-based onderwijsonderzoek ter discussie stellen. 


    Er zijn binnen leren zo veel variabelen in het spel (zoals leerdoelen, pluriforme doelgroep, didactiek, pedagogisch klimaat, leerinhouden of condities) dat je al snel appels met peren aan het vergelijken bent. Daar komt bij dat het m.i. onzinnig is om anno 2009 uitspraken te doen over de effectiviteit van (t)e-learning op basis van studies uit 1996. Wat betreft technologie, didactiek en onderwijsontwerp heeft online leren immers een enorme ontwikkeling doorgemaakt.