Mijn foto

Enter your email address:

Delivered by FeedBurner

Mijn Blogroll

  • Ik ben op de volgende RSS-feeds geabonneerd

« juli 2008 | Hoofdmenu | september 2008 »

Innovaties leiden binnen onderwijs niet tot systeemveranderingen

Technologische vernieuwingen, zoals social software, bieden nieuwe mogelijkheden voor het creëren van leeromgevingen die niet docent-gecentreerd zijn,  of zelfs de grenzen van instituties kunnen doorbreken. Toch zijn daadwerkelijke systeemveranderingen tot dusver uitgebleven. Dat stelt George Siemens in het paper New structures and spaces of learning: The systemic impact of connective knowledge, connectivism, and networked learning.

Siemens schrijft onder meer dat menig technologische ontwikkeling er lang over heeft gedaan voor dat sprake was van een daadwerkelijke verandering van het onderwijs. Verder stelt hij dat vandaag de dag anders tegen kennis wordt aangekeken:

Knowledge - the core product and source of engagement in education - has become increasingly fluid (Downes, 2006; Siemens, 2006). The world of expert, clearly-defined, and well-organized knowledge formed by ancient philosophers and deciphered by subsequent thinkers, has today given way to continual flux.

Dit zou gevolgen moeten hebben voor het onderwijssysteem. Maar tot nu toe is dat niet of nauwelijks het geval. Siemens probeert dat in dit paper te verklaren vanuit verschillende theorieën, onder meer over veranderingen. Daarnaast legt hij ook een relatie met de opvattingen van Ivan Illich en Paulo Freire, die een jaar of veertig geleden ook al pleiten voor systeemveranderingen in het onderwijs. Deze denkers beschikten echter niet over technologieën die ander onderwijs mogelijk konden maken.

Siemens sluit zijn paper af met de beschrijving van een model voor een toekomstig onderwijssysteem, dat de lerende daadwerkelijk centraal stelt. Dit model wijkt sterk af van het huidige systeem. Veel aspecten van het onderwijs zullen tegelijkertijd aangepakt moeten worden (accreditatie, curriculum, wijze van lesgeven, financiering).

Deze complexe transformatie bevat veel onzekerheden voor bestaande organisaties en belanghebbenden (docenten, lerenden, leidinggevenden). Dat is wat mij betreft een belangrijke reden voor de trage adopttie van diverse vernieuwingen.

E-boeken niet goedkoper dan gedrukte boeken

Elektronische boeken zijn niet persé goedkoper dan gedrukte boeken. Gedrukte boeken kunnen tweedehands worden verkocht. Daarmee vervalt een belangrijk argument vóór e-boeken. Dat stelt de Los Angeles Times op basis van een verschenen rapport.

Aanbieders van e-boeken zijn dit ook zelf schuld. Zij werpen zelf drempels op. Teksten kopiëren en printen is vaak niet mogelijk. Ook kunnen elektronische boeken expireren, wat natuurlijk ook een groot nadeel is. Je kunt het boek na langere tijd niet nog eens naslaan. Het volgende argument vind ik ook opvallend:

Perhaps the report's most surprising finding -- at least to parents who can barely peel their college-age children away from their Facebook or MySpace pages -- was that only one-third of students said they were comfortable reading textbooks on a computer screen. Three-fourths said they would prefer a print textbook to an electronic one if the costs were equal.

Ik denk dat elektronische boeken pas echt aanslaan als echt gebruik wordt gemaakt van de toegevoegde waarde van technologie. Dus dat e-boeken over natuurkunde ook animaties bevatten. Of dat je er elektronische notities aan toe kunt voegen. E-boeken slaan volgens mij ook pas goed aan als 'Kindle'-achtige apparaten op grote schaal worden gebruikt, en je het computerscherm niet meer hoeft te gebruiken om te lezen.

Ik weet dat veel mensen houden van gewone boeken. Ik vind een gedrukt boek ook mooi om te hebben. Maar e-boeken zijn veel transportabeler, je hebt minder opslagruimte nodig en het spaart papier (en dus bomen). Het financiële argument is dan niet meer het belangrijkste.

Barack Obama: verplichte kost

Dit is charisma en hoop. Dit is pas een toespraak houden. Zo knap. Wat een opbouw. Let ook op de elementen van storytelling. Obama fileert de ownership-society, waarin je op jezelf bent aangewezen. De 'eigen schuld, dikke bult'-samenleving.

Wat voor een politicus ben je als je in staat bent politici van GroenLinks tot en met de VVD aan je te binden? Het hele oeuvre van Barack Obama is wat mij betreft nu al verplicht lesmateriaal voor politici. De vraag is alleen: kun je dit leren? Of heb je dit gewoon in je?

It is not because John McCain doesn't care. It is because John McCain doesn't get it.

Keynote ICT Beheer en Techniek congres

Op 4 november aanstaande verzorg ik de keynote van het congres ICT Beheer en Techniek Congres 2008 van School & Computer, georganiseerd door ESS.

Dit congres laat ontwikkelingen, producten en diensten zien, die belangrijk zijn voor élke onderwijsinstelling. Voorbeelden zijn digitale schoolborden, roostersoftware, en elektronische leeromgevingen.

Logo School & Computer

Het congres vindt plaats in het Nieuwegeins Business Center.

Ik zal een praktijkgericht verhaal houden over een aantal relevante ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs.

Presentatie Viafrica

Vanmiddag verzorg ik een inleiding tijdens een NETworks bijeenkomst van stichting Viafrica. Deze stichting ondersteunt organisaties in Afrika bij het gebruik en beheer van ICT. Het centrale programma van Viafrica -Classworks- richt zich op de implementatie van ICT binnen Afrikaanse scholen.

Tijdens deze bijeenkomst brainstormt een groep deskundigen over de vraag: 'Wat kun je bereiken met ICT binnen het onderwijs?'In mijn inleiding ga ik in op vier onderdelen:

  • Inzichten in didactiek. Wat weten we van goede manieren van leren? En is dit universele kennis?
  • De wijze waarop samenlevingen zich ontwikkelen. Een agrarische samenleving een een traditioneel-industriële samenleving stellen andere eisen aan burgers en het onderwijs, dan een kennissamenleving. Dit stelt ook bepaalde eisen aan de inzet van ICT in het onderwijs. Hoe ontwikkelen Afrikaanse landen zich?
  • Voorbeelden van het gebruik van ICT in het onderwijs. Bij welke manieren van leren passen deze toepassingsmogelijkheden?
  • Met welke aspecten moet je rekening houden als je ICT in het onderwijs wilt inzetten?

Mijn presentatie staat op Slideshare.

De exaflood is geen ramp

Janien Benaets bespreekt het NRC-artikel Angst voor de digitale zondvloed van Marc Hijink. Hijink heeft waarschijnlijk een genuanceerd artikel willen schrijven over de groei van het internet in relatie tot de digitale opslagcapaciteit. Helaas heeft vermoedelijk een digibete eindredacteur er een doemdenkerige kop en intro aan toegevoegd.

Janien illustreert aan de hand van een Vlaamse bron dat de soep inderdaad niet zo heet gegeten wordt dan ie wordt opgediend.

Ik heb de Amerikaanse bijdrage Estimating the Exaflood gelezen, waarnaar Hijink verwijst. In deze bijdrage wordt de exaflood als een fenomeen en uitdaging beschreven, maar niet als een bedreiging. Het artikel is een prima beschrijving van relevante ontwikkelingen, die er toe leiden dat we steeds meer internetverkeer, netwerk- en opslagcapaciteit nodig hebben. De auteurs spreken van een ingrijpende transformatie van de internetcapaciteit, die wel een enorme investering vergt. Een aantal paradigma's liggen hier aan ten grondslag, zoals 'een leven na de TV' (YouTube, InternetTV, etc) of het einde van het Local Area Network (zoals trusted computing en het gebruik van webservices).

De Volkskrant van 13 maart 2007 heeft op basis van een IDC-onderzoek geschreven dat Nederland in 2006 meer digitale informatie geproduceerd heeft, dan het middelen had om die gegevens op te kunnen slaan. En dat dit probleem steeds groter wordt. Op globale schaal -de exaflood- is hier -vermoed ik- wel een mouw aan te passen, al kost dit volgens Estimating the Exaflood miljarden. Je merkt wel al dat binnen organisaties (zoals een school) er gebrek is aan digitale opslagcapaciteit. Gebruikers worden dan verzocht om oude bestanden of 'niet-zakelijke' bestanden te verwijderen. Maar ook organisaties en individuele gebruikers ontkomen er m.i. niet aan om meer te investeren in giga- en terrabytes. Een voordeel is dat deze opslagcapaciteit steeds betaalbaarder wordt.

Waar is performance support gebleven?

Een jaar of tien geleden hoorde ik het eerst van elektronische performance support systemen (EPSS). Dat zijn elektronische omgevingen waarmee medewerkers binnen een systeem just-in-time informatie en ondersteuning krijgen om een bepaalde taak uit te voeren. Lagere kosten (voor opleiden en trainen onder andere), hogere productiviteit. Dat waren belangrijke argumenten. Bovendien sloot EPSS goed aan op de toen (?) populaire Tayloristische benadering van werken èn leren, als je het mij vraagt.

EPSS was in feite een vorm van e-learning, terwijl deze term nog niet bestond. Gloria Gery was destijds de 'goeroe' op dit gebied (inmiddels is zij met pensioen).

Jay Cross blikt terug op EPSS. Hij beschrijft dat EPSS na een periode van enthousiasme, in een dip terecht is gekomen.

Unless it was tightly baked into an application from the get-go, EPSS required continual maintenance. Few people considered themselves EPSS designers. Modifying EPSS took scarce programming skills. EPSS did not have a home in the typical organization structure.

En in tegenstelling tot (t)e-learning in 'cursusvorm', is EPSS nooit echt uit dit dal gekomen. Tot nu, denkt Cross. Web 2.0 geeft een nieuwe impuls aan EPSS. Maar wel aan een vorm van EPSS waarbij veel meer sprake is van gezamenlijkheid en samenwerken (social learning), in plaats van de meer behavioristisch, 'eenzame' vorm van EPSS.

Remember the original premise of PS, making information available to workers instead of forcing them to memorize it? That’s how we use Google and corporate wikis and instant messenger.(...) A powerful form of performance support is asking someone who knows. Expertise locators direct workers to the person most likely to have the answer they seek.

Screencasts zijn hier wat mij betreft ook goede voorbeelden van. Persoonlijk denk ik dat deze nieuwe manier van EPSS ook een vorm van (t)e-learning is. Ik heb niet zo'n behoefte aan een hernieuwde introductie van deze term. Maar het fenomeen zelf -de betreffende toepassing van social software- herken ik wel. En het mooie hiervan is dat in veel gevallen ook sprake is van actief leren, in plaats van alleen passief consumeren.

E-Learning 2.0: vier sleutelfactoren

E-learning 2.0 is geen keuze, maar een onvermijdelijke ontwikkeling. Aldus Brent Schlenker in What Is e-Learning 2.0? (inloggen verplicht). Volgens Schlenker is de waarde van informeel leren als belangrijk deel van het leren binnen organisaties dankzij social software expliciet geworden. Wel staan we nog aan het begin van de integratie van deze technologieën binnen bestaande ontwerpmethoden en modellen.

E-learning 2.0, stelt de auteur, draait echter niet uitsluitend om technologieën, die appelleren aan creatie en samenwerking. Verder vervangt e-learning 2.0 niet de traditionele manier van online leren, maar is sprake van een aanvulling. Schlenker onderscheidt vier sleutelfactoren van e-learning 2.0.

  1. Web 2.0 technologie die informeel leren ondersteunt en faciliteert.
  2. Gebruikers hebben de vrijheid om te publiceren (Rip, Mix, Feed).
  3. Organisaties stellen content beschikbaar via "the five “-ables” (searchable, editable, linkable, feedable, taggable)". Leden van een organisatie kunnen dus gebruik maken van open systemen. Binnen veel organisaties, schrijft Schlenker, is daar nog volstrekt geen sprake van. Daarom is ook de vierde factor essentieel:
  4. De organisatiecultuur verandert. Mensen maken deel uit van sociale netwerken: 
    "Within the social network, you are content. You are searchable, editable, linkable, feedable, and taggable. "
    Profielen spelen daarbij een belangrijke rol. De auteur illustreert daarbij dat het opbouwen van een sociaal netwerk dankzij technologie heel snel gaat.

Toen ik de kop van het artikel las, vroeg ik me af of ik hier over zou bloggen. Er zijn immers al verschillende inleidende artikelen over e-learning 2.0 verschenen en besproken. Bovendien blinken de eLearning Guild-bijdragen meestal niet uit in kritische reflectie. Dat geldt ook voor dit artikel. Maar de vier sleutelfactoren hebben wat mij betreft wel toegevoegde waarde.

Werken brain trainingen?

Justine Pardoen schrijft dat brain trainingen - zoals die op de Nintendo DS kunnen worden gedaan- weliswaar leuk zijn om te doen, maar geen effect sorteren. Dat stelt ontwikkelingspsychologe en hersenonderzoeker Eveline Crone, die Pardoen onlangs heeft geïnterviewd.

Tijdens de laatste Online Educa Berlijn heb ik echter een presentatie bijgewoond waaruit bleek dat het gebruik van Nintendo's Dr. Kawashima ten behoeve van het rekenen wel leidt tot betere cognitieve prestaties. Daarom ben ik maar eens naar de bron gegaan. En inderdaad: op de website van Learning and Teaching Scotland staat:

Our results have shown that a small, cleverly designed handheld game can significantly enhance learner performance in mental maths as well as having a positive impact on other aspects of classroom life. Our research methodology used only four of the 25 available Brain Gym activities, and the children from the Brain Gym group spent less than half the time using the movements than did the children playing the Nintendo game. Despite this lack of parity in both approaches, the limited Brain Gym intervention did significantly improve the children's performance in maths, although not by as much as did the more extensive use of the Nintendo game.

Picnic Young Specials

Ik werd laatst door Saranna Maureau getipt om PICNIC YOUNG SPECIALS te bezoeken. Dat gaat mij helaas niet lukken. Al lijkt het me wel de moeite waard.

Centraal staan de nieuwste creatieve technologieën en mediatoepassingen voor het onderwijs. Met name mobile learning virtuele werelden. De prijs is ook acceptabel (95 euro ex BTW). Het lukt me alleen niet om 24 september aanstaande naar de Westergastfabriek in Amsterdam te gaan.

Inschrijven kan via http://picnicyoung.nl/inschrijven

BTW: Tussen 22 en 26 september organiseert PICNIC YOUNG ook de PICNIC YOUNG LABS, doe-workshops voor jongeren van 14 t/m 18 jaar. Deelnemers gaan zelf aan de slag met games, virtuele werelden en media.