Mijn foto

Enter your email address:

Delivered by FeedBurner

Mijn Blogroll

  • Ik ben op de volgende RSS-feeds geabonneerd

Hoe je v/podcasts in het onderwijs kunt inzetten?

Donna McLean en Eva Roa White beschrijven in Two Approaches to Podcasting Use in the Classroom twee casussen waarin docenten op een heel verschillende manier podcasts gebruiken in het onderwijs. Eigenlijk gaat het ook om vodcasts, want de Flip is prominent gebruikt door de tweede docent.

De eerste docent gebruikt podcasts als aanvullende, te bestuderen, leerstof. De tweede docent laat studenten pod/vodcasts maken, als onderdeel van een te beoordelen opdracht.

Enkele conclusies:

  • Ondanks dat de huidige technologieën een stuk gebruikersvriendelijker zijn dan een aantal jaren geleden, vergt het gebruik van v/podcasts nog behoorlijk voorbereiding van docenten (in beide gevallen). De docenten moeten zich ook verdiepen in de didactische eigenschappen van de tools. Dat kost tijd.
  • Studenten zijn minder vertrouwd met deze technologieën dan je wellicht zou verwachten. De Flip en video/audiotools op een Mac zijn volgens de auteur eenvoudig te gebruiken voor studenten, maar dat geldt niet voor andere applicaties. Sommige studenten moeten veel tijd investeren om zich de toepassingen eigen te maken, anderen niet.
  • In veel gevallen, toen de studenten zelf v/podcasts moesten maken, is nogal wat mis gegaan met de opnames. Dit kwam de motivatie niet ten goede. Ook vonden deze studenten het maken van v/podcasts erg arbeidsintensief. Bij de podcasts als te bestuderen leerstof, klaagden studenten over kwalitatief mindere content.
  • Het beluisteren van podcasts en het laten maken van v/podcasts kunnen zinvolle leeractiviteiten zijn.

Het artikel maakt duidelijk dat je de inzet van v/podcasts niet te lichtzinnig moet opvatten. Het vergt nogal wat voorbereiding. Niet alleen van docenten, maar ook van studenten als je v/podcasts op een activerende manier inzet. Als docent moet je er voor waken dat je de werklast van studenten niet te zeer vergroot.

Is het gebruik van social software tijdens een vergadering wel normaal?

Een herkenbare blog post van Danah Boyd over het gebruik van nieuwe technologieën tijdens een congres (met dank aan Janet Clarey). Boyd beschrijft hoe intensief zij internettechnologie gebruikt terwijl zij een congres bezoekt. Vervolgens krijgt zij een uitbrander van een medecongresganger die haar verwijt geen aandacht te hebben voor de sprekers.

Boyd geeft toe dat haar aandacht niet altijd bij de sprekers was. Tegelijkertijd illustreert zij hoe je dankzij Wikipedia, Twitter en Babelfish een 'traditioneel' congres kunt versterken. Bovendien, schrijft, Boyd, afdwalen tijdens een inleiding is van alle tijden.

Daydreaming and sketching (aka "taking notes") are not particularly new practices. Now the daydreamer might just be blogging instead.

Boyd bekritiseert degenen met een negatieve perceptie van internetgebruik tijdens congressen en vergaderingen. Zij vindt dit een verkeerde benadering. Het gebruik van social software gedurende dergelijke bijeenkomsten is volgens haar immers uiterst functioneel:

While I will fully admit that there are times when the only thing I have to contribute to such dialogue is snark, there are many more times when I really want clarifications, a quick question answered, or the ability to ask someone in the room to put the mic closer to the speaker without interrupting the speaker in the process.

Je mag schijnbaar wel een spreker onderbreken (terwijl je vooral wil laten merken dat jij veel te vertellen hebt), maar vragen stellen via Twitter is volgens velen 'not done', stelt zij.

Ik kan alleen maar met Danah Boyd instemmen. Sterker: ik let juist beter op als ik tijdens een presentatie Twitter. Het zijn mijn aantekeningen. En wat heb je liever: dat ik ga zitten klieren tijdens een saaie inleiding (of weg loop), of dat ik mijn feeds check?

Het draait hierbij inderdaad om affiniteit met web 2.0, perceptie van en attitude ten aanzien van het gebruik van social software. En dat zijn zaken die heel lastig te beïnvloeden zijn. Maar je mag toch op z'n minst verwachten dat adepten van nieuwe internettechnologieën niet met zo'n normatieve toon benaderd worden. Als jij er zelf niet voor kiest, gedoog de ander dan op z'n minst.

Blended learning belangrijk bij leven lang leren

Om als land concurrerend te kunnen blijven, is het noodzakelijk dat meer mensen hoger opgeleid worden. Dat betekent niet alleen dat jongeren steeds meer moeten in- en doorstromen naar hogere opleidingsniveaus. Volwassenen zullen ook hun leven lang moeten (mogen?) leren. Dat is één van de maatschappelijke uitdagingen voor de komende jaren. In dit kader heeft de Onderwijsraad gisteren een verkenning gepubliceerd: Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen.

Ik heb het rapport selectief gelezen (o.a. de samenvatting). Een aantal zaken valt mij op:

  • De Onderwijsraad spitst de verkenning toe op onderwijs vanaf niveau MBO-4. Ik vind dat te beperkt, omdat menig werknemer volgens mij via niveau 3 'opgeschoold' zou moeten worden.
  • Volwassenenonderwijs stond lange tijd synoniem voor algemeen vormend onderwijs (basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs). De Onderwijsraad pleit nu voor meer beroepsgericht volwassenenonderwijs.
  • Een gevoel van urgentie voor een leven lang leren ontbreekt vaak op alle fronten, schrijft de Onderwijsraad.
  • Het bestaande onderwijs heeft volwassenen inhoudelijk veel te bieden. Maar de manier waarop het is ingericht (onder meer wat betreft opleidingsduur) past volgens de samenstellers van het rapport slecht bij de doelgroep volwassenen. Op dit moment maken volwassenen nauwelijks gebruik van het reguliere hoger onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs. De Onderwijsraad pleit daarom onder meer om het bekostigen van deeltijd volwassenenonderwijs.
  • Procedures op het gebied van elders verworven competenties kunnen er voor zorgen dat volwassenen sneller gekwalificeerd kunnen worden, maar de Onderwijsraad waarschuwt ook voor ongewenste neveneffecten (jongeren die het onderwijs voortijdig verlaten om via EVC alsnog een diploma te behalen). Ik verbaas me daarover, aangezien er diverse maatregelen zijn getroffen om jongeren te dwingen op school te blijven (heeft ook nadelen). Bovendien kun je jongeren volgens mij heel goed duidelijk maken dat je eerst de nodige ervaring moet opdoen voordat je in aanmerking komt voor een EVC-procedure. En anno 2009 kom je zonder diploma praktisch niet meer aan de bak (slecht betaalde banen uitgezonderd).
  • De Onderwijsraad erkent het belang van meer informele vormen van leren. Dat is winst. Toch gaat de meeste aandacht in de verkenning uit naar formele vormen van scholing. Natuurlijk: voor de meeste volwassen lerenden is het belangrijk dat zij een leertraject afsluiten met een kwalificatie een civiel effect heeft. Toch valt er volgens mij meer winst te halen als je kritischer kijkt naar leerarrangementen die bestaan uit een mix van meer informele en formele leeractiviteiten, EVC-procedures (aan de hand van een e-portfolio) en betekenisvolle beoordelingen. Opvallend is dat veel volwassenen zelf aangeven een actievere rol te willen vervullen in het samenstellen van leerarrangementen, waarbij zij onder andere ook pleiten voor meer coaching op de werkvloer (zie pagina 29).
  • De Onderwijsraad denkt dat afstandsleren en e-learning de beste kansen bieden om volwassenen te interesseren voor scholing. Zij breken daarbij -hulde, hulde- een lans voor de vrije toegang tot informatiebronnen en leermiddelen (open access, open education). Helaas zijn de aanbevelingen op dit punt weinig concreet.
    Ik ben (uiteraard) groot voorstander van het gebruik van e-learning bij een leven lang leren. Ik zie echter wel nog wat uitdagingen als het gaat om de acceptatie hiervan. Niet alleen door opleidingsinstituten en onderwijsinstellingen. Ik vraag me ook af of de doelgroep 'volwassenen' op dit moment al voldoende 'e-learning ready' is. Ik word hierin gesterkt door de opvattingen van volwassen studenten over contact met docenten. Daar waar de Onderwijsraad in de samenvatting spreekt over e-learning en afstandsleren, pleit men op pagina 74 voor 'blended learning'. Persoonlijk lijkt mij dat inderdaad een betere benadering.

Het Amerikaanse onderwijs is helemaal niet zo 'e-ready'

Wie denkt dat het onderwijs in de VS véél verder is met het gebruik van (t)e-learning, moet maar eens snel de resultaten van een recente bench mark studie lezen. Dit onderzoek laat onder meer zien:

  • Onderwijsinstellingen zetten de grootste stappen voorwaarts op het gebied van de infrastructuur (breedband).
  • Het gebruik van ICT voor beoordelen en flexibilisering van het onderwijs blijft duidelijk achter.
  • Jongeren adopteren buiten schooltijd in rap tempo ICT, "but they often lose access to that technology in classrooms".
  • In vergelijking met verleden jaar is sprake van een zeer lichte voortuitgang als het gaat om e-readiness van het Amerikaanse onderwijs.

Komt dit bekend voor, of niet?

EduApps op stick

Eindgebruikers krijgen steeds meer zeggenschap over de technologie die zij willen gebruiken, en kunnen daar steeds gemakkelijker zelf keuzes inmaken. Deze 'democratisering van de technologie' wordt onder meer mogelijk gemaakt doordat je steeds meer applicaties vanaf een USB-stick kunt gebruiken. Je hoeft dus geen toestemming meer te vragen om een bepaalde applicatie te mogen gebruiken, en je hebt geen lokale beheerder nodig om programma's voor je te installeren.

EduApps is een initiatief van JISC Regional Support Centre Scotland North & East waar je meer dan 90 open source en freeware applicaties vindt, die je uitsluitend via een USB-stick kunt gebruiken. De applicaties zijn onderverdeeld in AccesApps, LearnApps (voor lerenden) en TeachApps (voor docenten).

Ik kende dit initiatief nog niet, ook al lijkt het al een tijdje te bestaan(ik kende wel onder meer PortableApps). Belangrijke beperking: de applicaties draaien uitsluitend onder Windows.

Ik raad gebruikers overigens wel aan om met ICT beheer te communiceren over het gebruik van dergelijke applicaties. Als eindgebruiker heb je niet altijd zicht op de gevolgen voor de bandbreedte en beveiliging. Maar wee, de systeembeheerder die hel en verdoemenis afroept over de enthousiasteling die binnen het onderwijs applicaties op een usb-stick wilt inzetten....

Plagiaat bij online discussies: wat te doen?

Dat plagiaat binnen het onderwijs voorkomt, is geen nieuws. Dankzij internet is het gemakkelijk om documenten samen te stellen op basis van teksten van anderen. Maar dat plagiaat ook voorkomt bij online discussies, lees ik voor het eerst in de bijdrage Seven Strategies for Plagiarism-proofing Discussion Threads in Online Courses van Melissa R. Olt.

Olt zoekt de oplossing van dit vraagstuk in het didactisch ontwerp en in het faciliteren van online discussies. Zij beschrijft zeven strategieën om plagiaat bij online discussies tegen te gaan:

  1. Zorg ervoor dat de discussievragen/stellingen een beroep doen op hogere orde denkstrategieën. In haar artikel geeft ze hier voorbeelden van. Daarbij valt het me op dat de vragen vooral het karakter van een opdracht hebben.
  2. Betrek discussievragen op de cursus als totaal.
  3. Hussel de cursus door elkaar (net als met een toets).
  4. Moedig interactiviteit aan (met elkaar, met de docent en met de leerstof). Als lerenden op elkaar moeten reageren, heb je niets aan plagiaat.
  5. Zorg ervoor dat onderwijsgevenden zelf een actieve rol spelen binnen de online discussies. Olt geeft ook enkele tips hiervoor. Je moet als docent discussies natuurlijk niet gaan domineren.
  6. Zorg ervoor dat lerenden de werkdruk kunnen hanteren. Een te grote werkdruk nodigt uit tot plagiaat. Bovendien krijg je weinig reacties op jouw bijdrage, als veel bijdragen worden geplaatst. Dat motiveert ook niet.
  7. Beoordeel discussies en geef feedback. Daarbij gaat het volgens de auteur vooral om formatieve beoordelingen.

Prima dat Melissa R. Olt de oplossing van plagiaat vooral in de didactiek zoekt. Ik denk inderdaad dat als je uitdagende vragen/stellingen bedenkt, waarbij lerenden verschillende onderdelen uit de cursus met elkaar moeten verbinden, je plagiaat kunt voorkomen. Daarnaast denk ik dat je naar de aard van de bijdrage in relatie tot de persoon die ze plaatst moet kijken. Je herkent volgens mij vrij snel of een tekst bij een bepaalde persoon hoort.

Kan een microblogplatform gebruikt worden als elektronische leeromgeving?

Dit was één van de vragen die twee Roemeense onderzoekers wilden beantwoorden in een case studie waarover het paper Using microblogging in education gaat. In dit onderzoek is verder onder meer gekeken naar de verschillen tussen het faciliteren van een online cursus via een microblog applicatie en een elektronische leeromgeving (ELO).

De onderzoekers hebben daarbij gebruik gemaakt van de applicatie Cirip.ro: een tool die lijkt op Twitter maar die ook andere mogelijkheden heeft, zoals het formeren van groepen. Andere functionaliteiten zijn een tagcloud en netwerkoptie (relaties zichtbaar maken).

De auteurs concluderen positief over het gebruik van microbloggen binnen het onderwijs. Lerenden hebben de kracht ervaren van communiceren, connecties en immediacy. Zij constateren bijvoorbeeld ook dat de communicatie tussen lerenden niet stopt als de cursus voorbij is. De gebruikte microblogtool is volgens hen zeer geschikt voor waardevolle interacties en als sociale factor binnen een ELO. Tegelijkertijd vraagt deze manier van communiceren veel van een docent die het leerproces faciliteert, en van lerenden die de interacties willen volgen. Daarom bevelen zij aan de microblogtool alleen in te zetten tijdens kortdurende cursussen.

Het paper laat volgens mij zien dat je een medium als Twitter op z'n eigen merites moet beoordelen. Je wordt inderdaad hoorndol als je probeert alle bijdragen, die de mensen in je netwerk posten, te volgen. Je moet dus anders omgaan met microblogtools, dan met een ELO. Deze tools zijn volgens mij vooral handig om patronen te herkennen en 'toevallig' te leren (serendipity)

Using microblogging in education. Case Study: Cirip.ro

Videofragmenten van DVD naar ELO

Op dit moment ben ik onder meer betrokken bij de implementatie van de leeromgeving Fronter. Vandaag kreeg ik de vraag of het mogelijk is filmpjes van een DVD via Fronter toegankelijk te maken, zodat lerenden en onderwijsgevenden er altijd en overal bij kunnen.

Nu zijn die zogenaamde VOB-bestanden erg omvangrijk (honderden MB's groot). Ondanks dat bandbreedte steeds minder een issue is, is dit voor de doorsnee gebruiker toch wat veel van het goede. Ik ben daarom op zoek gegaan naar tools waarmee je deze VOB-bestanden kunt converteren, comprimeren en streaming aan kunt bieden.

Helaas zit copyright op de films, zodat ik ze niet kan publiceren op YouTube. Je kunt op YouTube of Surfmedia films voor een beperkte groep toegankelijk maken. Bij YouTube kun je de toegang beperken tot 25 personen. Bij Surfmedia kun je via e-mailadressen of domeinen de toegankelijkheid beperken. Volgens mij werkt dit helaas niet handig als je een filmpje vanuit een elektronische leeromgeving wil linken of embedden.

Bij Vimeo hebben ze een vriendelijkere optie: je kunt een video van een wachtwoord voorzien. Zo'n wachtwoord kun je dan via de leeromgeving communiceren. Beter dan niets, zullen we maar zeggen.

Via Twitter en Facebook kreeg ik nog een aantal tips, waarvan ik er uiteindelijk één heb gebruikt:

Van deze laatste tool heb ik de Mac-versie geïnstalleerd en met veel plezier gebruikt. De tool is erg intuïtief. Je kunt er een groot aantal videoformats mee converteren, o.a. naar mp4-, flv- en swf-formaat. Bestanden worden daarmee vele malen kleiner. Je kunt bestanden ook geschikt maken voor -bijvoorbeeld- de iphone.


Maar het meest handige is natuurlijk dat je je niet druk hoeft te maken om beveiliging en dergelijke educatieve content vrij beschikbaar is.

Liever gamen dan sporten?

Karl Kapp kreeg laatst het verwijt wel erg positief te oordelen over video games, en onvoldoende oog te hebben voor de negatieve aspecten ervan. Kinderen zouden positievere dingen leren van georganiseerd sporten, in plaats van video games.

In What Sports Teach Our Kids and Why Video Games are Better illustreert hij dat sporten in clubverband lang niet altijd positief bijdraagt aan de ontwikkeling van jongeren. Jongeren leren er te winnen ten koste van alles (en anderen). En ze leren bijvoorbeeld dat ze minder goede spelers kwijt moeten raken. Volgens Kapp neemt ook het geweld binnen sport sterk toe.

Met behulp van video games leren kinderen bekwaamheden als strategisch en analytisch denken, plannen, problemen oplossen en beslissingen nemen. Ook kun je praktische vaardigheden in een veilige omgeving oefenen en moeilijke handelingen herhalen.

Ik ben groot voorstander van het bevorderen van actief sporten. Maar Kapp heeft wel een punt. Jongeren leren er lang niet uitsluitend positieve zaken van. Ik beschouw zijn bijdrage vooral als een spiegel voor mensen die geen oog hebben voor de positieve kanten van video games. Zij overdrijven de negatieve kanten van video games, en hebben onvoldoende oog voor de krachtige eigenschappen ervan.

Metastudie online leren illustreert zinloosheid evidence based onderzoek

Via Tom Werner's blog heb ik deze Amerikaanse metastudie ontdekt over de effectiviteit van online leren.

De onderzoekers hebben meer dan duizend onderzoeksrapporten bestudeerd, die in twaalf jaar tijd zijn verschenen.

Analysts screened these studies to find those that (a) contrasted an online to a face-to-face condition, (b) measured student learning outcomes, (c) used a rigorous research design, and (d) provided adequate information to calculate an effect size.

De onderzoekers hebben uit deze studies 51 effecten gevonden, met name bij oudere lerenden (er bestaat weinig onderzoek naar (t)e-learning bij kinderen). Zij constateren onder meer dat online leren gemiddeld tot betere prestaties leidt dan face to face leren. De beste leerresultaten worden echter bereikt als sprake is van een mix van online en face to face leren. Een andere  bevinding is dat de effectiviteit van online leren los staat van de inhoud en doelgroep.

Tegelijkertijd stellen zij dat de omstandigheden -waaronder de lerenden leerden- sterk verschilden (online lerenden konden in een studie bijvoorbeeld meer tijd aan een taak besteden). De onderzoekers vragen zich zelfs af of de omstandigheden niet meer van invloed zijn op de studieresultaten, dan het medium. Zij geven ook aan dat binnen studies bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met curriculum materialen, didactiek en tijd die besteed wordt aan leren. Een belangrijke conclusie luidt dan ook

In many of the studies showing an advantage for online learning, the online and classroom conditions differed in terms of time spent, curriculum and pedagogy. It was the combination of elements in the treatment conditions (which was likely to have included additional learning time and materials as well as additional opportunities for collaboration) that produced the observed learning advantages.

Het onderzoek lijkt een antwoord te willen zijn op de behoefte van beleidmakers naar 'bewijsmateriaal' naar wat goed onderwijs is. Wat het rapport echter in wezen doet is de zinvolheid van evicence-based onderwijsonderzoek ter discussie stellen. 


Er zijn binnen leren zo veel variabelen in het spel (zoals leerdoelen, pluriforme doelgroep, didactiek, pedagogisch klimaat, leerinhouden of condities) dat je al snel appels met peren aan het vergelijken bent. Daar komt bij dat het m.i. onzinnig is om anno 2009 uitspraken te doen over de effectiviteit van (t)e-learning op basis van studies uit 1996. Wat betreft technologie, didactiek en onderwijsontwerp heeft online leren immers een enorme ontwikkeling doorgemaakt.