Mijn foto

Enter your email address:

Delivered by FeedBurner

Mijn Blogroll

  • Ik ben op de volgende RSS-feeds geabonneerd

Presentaties over de grenzen van de ELO deel III beschikbaar

Een paar weken geleden vond de derde editie van Over de grenzen van de ELO plaats. Vandaag kwam ik er bij toeval achter dat de presentaties inmiddels online staan. Aangezien de vernieuwde website van de SURF Foundation het erg lastig maakt om in het archief van bijeenkomsten te zoeken, wil ik de link bij dezen in mijn blog (al was het alleen al voor mezelf). Een aantal presentaties zijn volgens mij zeker de moeite van het bewaren waard.

Over de grenzen van de ELO (deel 3)

Het denken over nieuwe concepten van elektronische leeromgevingen (ELO's) is vergevorderd, het 'doen' bevindt zich in een beginstadium èn het ernaar handelen is onderwerp van constante zorg. Aldus een vertegenwoordiger van Hogeschool Zuyd over de eigen situatie. Maar wat mij betreft ook de overall conclusie van drie edities "Over de grenzen van de ELO", die de SURF Foundation de laatste jaren heeft georganiseerd. Vandaag vond dus de derde editie plaats. Het was een dag met goede sprekers, maar met name het ochtendgedeelte leverde mij weinig nieuwe ideeën op. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik me niet vermaakt heb. Integendeel, zoals ik in onderstaande impressie hoop duidelijk te maken.

Richard Katz, vice-president van de Educause, bracht een typisch Amerikaanse key note te berde: een goed verhaal, vol anekdotes, waarvan de kern van de boodschap in een paar zinnen samen te vatten is. Katz, van huis uit historicus, schetste de ontwikkeling van het onderwijs door de eeuwen heen. Het onderwijs heeft zich volgens Katz ontwikkeld van persoonlijk leren binnen families of kleine groepen (denk aan Socrates) naar leren in -wat Jan Geurts noemt- opleidingsfabrieken (massaproductie, sterk gestandaardiseerd, met een nadruk op efficiëncy en met een focus op beperkte uitkomsten). Katz stelde dat het onderwijs voor de opdracht staat een balans te vinden tussen personalisering en toegankelijkheid van grote groepen lerenden. Hij gaf aan dat het onderwijs in de loop van de afgelopen decennia steeds meer lerenden heeft moeten bereiken, tegen dezelfde inkomsten. Dit is ten koste gegaan van een persoonlijke benadering, die wel essentieel is om goede leeresultaten te bereiken. ICT zou moeten bijdragen aan deze personalisering. Dat gebeurt volgens Katz lang niet altijd, getuige bijvoorbeeld het gebruik van SecondLife voor hoorcollege's (terwijl veel meer mogelijk is). Katz stipte aan hoe ICT op een betere manier kan worden gebruikt. Bijvoorbeeld door experts van buiten, docenten en lerenden samen met een wiki kennis te laten ontwikkelen.

Richard Katz liet tot slot een film zien van de ontwikkeling van het onderwijs tot 2020 (een film die hij verleden jaar ook tijdens de SURF Onderwijsdagen heeft laten zien; zie ook de impressie op de website van de SURF Onderwijsdagen 2006). Opvallend daarbij waren de allianties van bedrijven als Google, Microsoft en Apple met onderwijsinstellingen, de filmindustrie en gameontwikkelaars. Edutainment is dan belangrijk, en vanaf 2017 kennen we volgens dit scenario zelfs virtuele begeleiders ("de-peopled learning environment"). De nadruk lag in dit toekomstbeeld overigens op andere content en instructie. Discours, begeleiding en reflectie kwamen in de film amper naar voren. Terwijl dit -volgens Katz- wel essentieel voor leren is.

Wim Westera van de Open Universiteit had een bij vlagen zeer humoristische bijdrage over de stand van zaken met betrekking tot open source ELO's in het Nederlandse hoger onderwijs. Westera haalde eerst indirect hard uit naar de traditionele ELO door deze te vergelijken met het Electric Light Orchestra, een popgroep uit de jaren zeventig (en bekend van de hit mr. Blue Sky en Roll over Beethoven). Deze popgroep heeft maar tien jaar bestaan, maakte gebruik van oude instrumenten en had een zanger die de hooggespannen verwachtingen niet waar kon maken. Bovendien is mister Blue Sky een vorm van luchtfietserij, zo stelde Wim....

De Open Universiteit heeft dus onderzoek gedaan naar de stand van zaken rond open source (OSS) in het Nederlands Hoger Onderwijs. Enkele conclusies:

  • Er is vrij veel kennis van OSS.
  • OSS wordt met name gebruikt voor operating systems, webservers en databases.
  • Wat betreft ELO's gebruiken instellingen voornamelijk één 'closed source' pakket.
  • De helft van de instellingen voor hoger onderwijs is de laatste twee jaar bezig met een vervangingstraject van hun ELO, of is van plan daar mee te beginnen.
  • Instellingen hebben geen expliciete voorkeur voor of 'closed source' of 'open source'.
  • Aarzelingen ten aanzien van OSS hebben betrekking op scholingsinspanningen, de kosten van de migratie, een beperkt verwachtingspatroon ten aanzien van OSS en weinig ervaringen met OSS.
  • Belangrijke criteria bij de keuze van een nieuwe ELO zijn flexibiliteit, interoperabiliteit, het ondersteunen van meerdere didactische modellen, didactische functionaliteiten en passend binnen een service oriented architecture (soa).
  • Op de langere termijn verwacht men een ICT omgeving te kunnen gebruiken die bestaat uit 'closed source' en open source applicatie en waarbij sprake is van een soa.

Echt bezig met een soa is men echter nog niet.

Nico Juist van Hogeschool InHolland ging in op een de student als kenniswerker, waarmee InHolland (en anderen) binnen het SURF-project SHAPE (Shared Personal Environment) hebben gewerkt. In dit project fungeerde de student als participating designer. Volgens Juist zijn met dit project positieve resultaten geboekt. Hij gaf daarbij aan dat het eigenlijk niet uitmaakt welke technologie je gebruikt, als maar duidelijk is hoe je ICT wilt inzetten.
Eerst ging Nico echter ook in op het fenomeen dat ICT vaak wordt gebruikt om het dominante onderwijsontwerp te verbeteren. Hij stelde dat ICT de hoog gespannen verwachtingen ten aanzien van onderwijsinnovatie niet waar maakt, dat beschikbare technologie vaak onvoldoende wordt gebruikt en dat het onderwijs niet wezenlijk verandert door het gebruik van ICT. Een bekend verhaal, maar Nico bracht het wel leuk.

Ik had eigenlijk maar één probleem met zijn bijdrage, en ook met de bijdrage na de pauze van de Hogeschool Zuyd. En dat probleem heeft te maken met het gebruik van het concept soa. Zowel Nico als de Hogeschool Zuyd gingen in hun presentatie uit van een ICT-architectuur die niet alleen bestaat uit services en systemen als een studentinformatiesysteem (een duidelijk bronsysteem). Maar ook uit omgevingen zoals Sharepoint of BlackBoard. Terwijl een soa toch vooral uitgaat van services, in plaats van deze systemen. Vooral omdat één van de argumenten van een soa is: het voorkomen van overlap van functionaliteiten. Ik kan me voorstellen dat je dergelijke applicaties vooralsnog gebruikt, en dat je nu vooral uitgaat van integratie van data. Niets mis mee. Maar noem een soa pas een soa als het echt een soa is!

Om kort terug te komen op de Hogeschool Zuyd: ondanks mijn kanttekeningen bij hun gebruik van de term 'soa' was ik te spreken over hun presentatie. In deze bijdrage schetsten zij onder andere de samenhang tussen bedrijfsprocessen, bedrijfsvoering, systemen & applicaties, informatie (content) en de ICT-infrastructuur. Zij streven bovendien naar een persoonlijke leeromgeving (PLE) voor hun studenten, en zijn al twee jaar concreet bezig met integratie van data en systemen. Een volgende stap is het definiëren van gewenste aanvullende functionaliteiten/services. Zij stelden ook dat het verder belangrijk is om architectuurrichtlijnen te formuleren, de PLE met systemen en services in te kleuren en e.e.a. te realiseren via een projectmatige aanpak.

Aan het eind van de dag -voor de borrel, natuurlijk- had de organisatie een opdracht bedacht. Het was opvallend hoeveel personen de zaal toen verlieten (terwijl toen pas echt ruimte was voor discussie). In die opdracht is gekeken naar een groot aantal functionaliteiten. De vraag was in welke mate je deze functionaliteiten (variërend van een onderwijsrepository, een managementinformatiesysteem of een weblog) zelf 'in huis' wilt hebben, samen met anderen wilt uitbesteden aan een organisatie à la SURF Foundation of Kennisnet, òf uit wilt besteden aan een commerciële partij. Een lastige vraag, die de tongen wel los wist te maken (let wel: voor de borrel). De verschillende groepen bleken nogal van mening te verschillen. Deels had dat te maken met interpretaties (wel het systeem outsources, maar niet de dienst). In ons groepje stelden we bovendien dat sommige functionaliteiten in de experimentele fase door een organisatie als SURF Foundation aangeboden konden worden, maar bij 'bewezen diensten' in handen zouden moeten komen van commerciële partijen. Een onderwijsinstelling koopt ze dan wel naar behoefte in.

Volgens goed gebruik komen de presentaties binnenkort op de site van deze derde editie. Ik zou die presentaties zeker checken. Via mijn weblog kun je een impressie lezen van alle drie de edities. Volgend jaar zal naar verwachting een vierde editie plaats vinden, al viel de belangstelling en het hoge now show-gehalte van het verwachte aantal deelnemers mij dit keer tegen. Ik ben er weer bij, verwacht ik.

Over de grenzen van de ELO II: dag 2 en reflectie

Op 28 en 29 september heb ik het tweede SURF-congres 'Over de grenzen van de elektronische leeromgeving bezocht'.

Dag twee was voor genodigden. Toen ik bekend maakte dat ik van baan zou wisselen, heb ik contact opgenomen met de organisatie. Ik kon me voorstellen dat zij liever iemand anders wilden uitnodigen omdat ik van functie en onderwijssector ging wisselen. Maar dat was niet het geval. Tof! Deze dag stond vooral in het teken van de uitwerking van het meerjarenbeleidsplan van Stichting Surf. De servicebenadering neemt daarbij een belangrijke plaats in. Ik vind dat een goede zaak, al loopt Surf hiermee het risico ver voor de troepen uit te lopen. Een belangrijke keuze is mijns inziens ook dat SURF simpele webservices wil  ontwikkelen die zich richten op de eindgebruiker, en wat mij betreft dan op de student en docent. Ik zou willen dat hierbij een duidelijke relatie wordt gelegd met de persoonlijke leeromgeving (PLE). Daarnaast richt het meerjarenbeleidsplan zich ook op behoefteninventarisaties en technology scouting (wat is er al?). Tijdens de discussies bleek overigens ook dat er in Nederland (o.a. via het Telematica Instituut) al veel is ontwikkeld op het gebied van de SOA (Archimate). Slechts weinig aanwezigen bleken hiervan op de hoogte. Een belangrijk actiepunt,lijkt me.

Het tweede congres 'Over de grenzen van de ELO' was wat mij betreft een succes. Deze dag biedt een goed zicht op de stand van zaken ten aanzien van de volgende generatie ELO's. Vóórdat die op grote schaal worden gebruikt zal nog heel water door menig rivier gevloeid zijn. Op de langere termijn -na 2010- verwacht ik dat ELO's die volgens een service oriented architecture zijn ontwikkeld (en die gebaseerd zijn op functionaliteiten van verschillende systemen) grootschalig gebruikt gaan worden. Open source ELO's als Sakai worden ook steeds meer volgens een service oriented architecture ontwikkeld (en niet als één systeem). Daarnaast zullen lerenden meer gebruik gaan maken van persoonlijke leeromgevingen, die vooral op web 2.0 (of wellicht 3.0) gebaseerd zullen zijn. Het valt me wel altijd op dat tijdens dergelijke dagen veel jargon wordt gebruikt (zie mijn eerdere bijdragen) en dat de materie ver van docenten af staat (terwijl ze er wel op termijn mee te maken zullen krijgen). Ook vond ik dat de aandacht voor persoonlijke leeromgevingen de tweede dag wat wegzakte. Het perspectief van de onderwijsorganisatie was toch weer dominant. En tijdens de hele tweedaagse werd er weinig gesproken  over didactiek. Lopen we niet ook bij de SOA weer het risico vooral te praten over architecturen, componenten en services zonder voldoende en in een vroeg stadium stil te staan bij het gebruik ervan in de praktijk? Want een persoonlijke leeromgeving roept volgens mij heel wat didactische vragen op. Bijvoorbeeld naar de relatie met leren als sociaal proces of naar de relatie met toetsen en beoordelen.

Over de grenzen van de ELO II: Personal learning environment

Op 28 en 29 september heb ik het tweede SURF-congres 'Over de grenzen van de elektronische leeromgeving bezocht'.
Scott Wilson heeft zich lange tijd bezig gehouden met het e-framework, maar is inmiddels weer een fase verder. Wilson vraagt zich af of we niet bezig zijn met het bouwen van complexe systemen waarmee we de 'verkeerde dingen' doen: te veel ondersteunen van management- en administratieve processen, en te weinig op het faciliteren van het leren zelf. Een persoonlijke leeromgeving (PLE) zou hiervoor een alternatief zijn. Een PLE is enerzijds conceptueel, maar daarnaast ook een concrete 'tool', of eigenlijk tools (een PDA, web desktop, aggregator, 'blog-centred mashup', enzovoorts). Wilson liet een inzichtelijke sheet zien waarin hij het verband legt tussen de ontwikkeling van Internettechnologie en de ontwikkeling van e-learning. En een PLE is dan sterk verbonden met web 2.0.
De PLE stelt de lerende in staat zijn/haar eigen 'leernetwerk' samen te stellen op basis van verschillende componenten. Wat dat betreft is er een verband met de SOA, al is de SOA vooral organisatiegericht. Bij een PLE komen informeel en formeel leren samen. De lerende participeert in meerdere leeractiviteiten, ook voordat z/hij deelneemt aan bijvoorbeeld een opleiding. De PLE helpt het individu ook bij de vormgeving van zijn/haar sociale identiteit. Het verschil tussen een ELO en een PLE heb ik in onderstaand plaatje proberen te illustreren.

Elople

Bij een ELO komen en gaan lerenden, bij een PLE worden leeractiviteiten (opdrachten, discussies) samen en worden leerresultaten opgeslagen. Dat leidt tot het behalen van leerdoelen en maken een lerende tot wie z/hij is. Je moet je bijvoorbeeld voorstellen dat online discussies waaraan je deel neemt, je blog, je social bookmarks en je portfolio in één omgeving bij elkaar komen. Zie bijvoorbeeld ter illustratie: http://www.programmableweb.com.

Voor de onderwijsorganisatie ligt er dan volgens Wilson de volgende opdracht:

Can institutions be facilitators of learning networks instead of purveyors of courses?

Volgens Wilson is dat een belangrijke kern van competentiegericht leren.
Dit betekent overigens niet dat ELO's verdwijnen. De student kan nog steeds leren in een ELO, alleen maakt die ELO in feite deel uit van de PLE. Op mijn vraag wat dit betekent voor een docent (hoe houdt de docent al die verschillende uitziende PLE's bij?), gaf Wilson het door mij al verwachte antwoord: RSS. Via een RSS-feedreader ziet de docent wat veranderd is in de verschillende PLE's van zijn/haar studenten. Kost dit de docent meer tijd dan nu het geval is? Dat hoeft niet, want de data blijft hetzelfde.
In feite is Elgg een voorbeeld van zo'n PLE. Die conclusie kun je in feite trekken uit de presentatie van Misja Hoebe die bij de ontwikkeling van Elgg betrokken is. Hoebe vertelde over het ontstaan van de open source omgeving Elgg -'create, connect, discover'- en over de stand van zaken. Het lijkt er op dat Elgg steeds meer aanhangers kent. Zo gaat de universiteit van Brighton Elgg breed uitrollen (ongeveer 30 duizend studenten). Zonder overigens BlackBoard de deur uit te doen. Sterker: cursussen in BlackBoard worden hier gekoppeld aan communities in Elgg.

Er is een aparte del.icio.us tag van personal learning environments beschikbaar.

Over de grenzen van de ELO II: E-framework

Op 28 en 29 september heb ik het tweede SURF-congres 'Over de grenzen van de elektronische leeromgeving bezocht'.
Sarah Porter ging in een hoog tempo in op de ontwikkeling van het e-framework. De meerwaarde van haar verhaal, in vergelijking met verleden jaar, was dat zij voorbeelden beschreef van services die binnen het e-framework passen (bijvoorbeeld een e-registratie toepassing). Zie ook http://www.brock.ac.uk/toolkit2/. Porter liet ook een illustratieve animatie zien van een SOA. Hierin lag overigens vooral de nadruk op naadloze uitwisseling van data, terwijl bij een SOA toch vooral de nadruk ligt op integratie van functionaliteiten. Porter stelde ook dat bij het e-framework initiatief een verschuiving plaats vindt van technologie naar gebruiker. Zij was lovend over Sakai, dat volgens haar een voorbeeld wordt van een SOA.

Erik Saaman ging in op de activiteiten van Surfnet en het e-framework. Volgens hem bestaat een SOA uit een architectuur (componenten) en webservices. Een webservice is een koppeling tussen systemen via een webprotocol, waarbij gegevens in XML-format worden gepresenteerd, onafhankelijk van de onderliggende techniek. In deze liberale definitie is RSS in feite een webservice. Een webservice is gericht op creëren, op het zichtbaar maken van de functionaliteit, op de buitenkant van de ICT-infrastructuur. Een architectuur is gericht op managen, op het zichtbaar maken van de bedrijfsprocessen, op de binnenkant van de ICT-infrastructuur.
Erik Saaman vergeleek de SOA met een stereoinstallatie. Je kunt één apparaat kopen, waarin CD speler, versterker etc één geheel vormen. Maar je kunt ook zelf een stereoinstallatie samenstellen op basis van een versterker van merk X, een CD speler van merk Y, boxen van merk Z. En als dan vervolgens een nieuw apparaat op de markt komt (zoals vele jaren geleden met de CD speler het geval was), dan sluit je deze er gewoon op aan zonder de andere onderdelen van de hand te hoeven te doen. Overigens zijn die alle-in-één systemen vcaak van mindere kwaliteit en veel goedkoper dan de hifi installatie die uit meerdere componenten bestaat. Maar zover trok Saaman de vergelijking niet door.
Samaan presenteerde onder meer de resultaten van een enquête, die Surfnet heeft gehouden om de stand van zaken met betrekking tot de SOA in Nederland in kaart te brengen. Hieruit blijkt dat er behoefte is aan opbouw van technische kennis op dit gebied, en dat respondenten (contactpersonen van Surf) behoefte hebben aan webservices op Surf diensten. Een meerderheid weet globaal wat een SOA is (slechts een kleine groep is goed op de hoogte). En binnen de eigen organisatie is volgens 40% van de respondenten onvoldoende kennis over de SOA aanwezig. Maar tien procent van de organisaties heeft beleid op dit gebied. Saaman ging ook in op de ervaringen van Surfnet met de SOA. Volgens hem is de business case van de SOA voor Surfnet nog niet helemaal duidelijk. Het ontwikkelen en implementeren van een SOA is complex en kostbaar. Hij waarschuwde er voor je als organisatie te verliezen in grootschalige architecturen. Volgens Saaman moet je meer aandacht besteden aan services in plaats van aan de architectuur. En erg belangrijk is uit te gaan van standaarden (en bij afwezigheid daarvan van specificaties).

Over de grenzen van de ELO II: intro en Sakai

Op 28 en 29 september heb ik het tweede SURF-congres 'Over de grenzen van de elektronische leeromgeving bezocht'. Verleden jaar leidde dit congres tot een uitgebreide discussie in 'Edublog'-land. Ik ben benieuwd of dat ook dit jaar weer het geval is. Er waren in elk geval heel wat Edubloggers aanwezig. Ik zal er in elk geval meerdere berichten aan wijden.

Het ochtendgedeelte bestond uit drie keynote sessies van niet de minste sprekers. Chuck Severance (executive director van de Sakai foundation), Sarah Porter (hoofd van de ontwikkelgroep van JISC) en Scott Wilson van CETIS gingen respectievelijk in op de ontwikkeling van Sakai, het e-Framework en de 'personal learning environment' (PLE). Dus in feite op de drie belangrijkste ELO-ontwikkelingen. Alle drie de sprekers schetsten een goed beeld van deze ontwikkelingen. Maar als je de ontwikkelingen op deze terreinen volgt, bevatten de inleidingen gedeeltelijk geen nieuws. Maar is dat te voorkomen? (antwoord: ja, door e-learning bij congressen in te zetten zodat je deelnemers op een zelfde 'startniveau' kunt brengen). 's Middags werden drie parallelsessies gehouden. Ik heb een sessie bijgewoond over Surfnet en het e-framework, ELGG en de 'personal learning environment' (PLE). Het was ook vooral een dag voor professionals die zich bezig houden van de organisatiekant van e-learning, en minder met de didactische toepassing ervan (al geldt dat niet helemaal voor de PLE).

Sakai

Chuck Severance gaf aan dat Sakai niet alleen leerprocessen ondersteunt, maar ook onderzoek en vormen van samenwerking. Hij stelde ook dat Sakai pas over een jaar of twee 'volwassen' is. Het perspectief van Sakai is overigens wel indrukwekkend te noemen. Sakai is cq wordt een flexibel in te zetten leer/werkomgeving waarbinnen je veel functionaliteiten kunt gebruiken. Ook valt op dat Sakai op grote schaal kan worden toegepast. En de wijze waarop Sakai wordt ontwikkeld is ook bijzonder te noemen. Van 'onder op' komen initiatieven om functionaliteiten te ontwikkelen. Als die functionaliteiten in de praktijk blijken te werken (op grotere schaal), dan wordt de functionaliteit in productie genomen. Aangezien de ontwikkeling van componenten op 'vrijwillige basis' plaats vindt -ontwikkelaars zijn in dienst van een onderwijsorganisatie maar niet van Sakai- kan niet worden gewerkt met deadlines. Sakai wordt met name in de VS en in Europa gebruikt. De Sakai-kaart komt sterk overeen met de kaart van de Edubloggers.

Severance maakte ook een onderscheid in typen service oriented architectures:
- Eén systeem dat uit verschillende componenten bestaat (veel traditionele ELO's ontwikkelen zich in die richting).
- Distributed one-way enterprise SOA
- Distributed two-ways enterprise SOA (daarbij gaat het vooral om data die tussen verschillende applicaties uitgewisseld wordt).

Sakai heeft de ambitie om dit derde type SOA te worden.

Severance ging ook in op het BlackBoard-patent. Hij liet duidelijk merken dit patent ridicuul te vinden, maar hij gaf vooral de schuld aan het patent-beleid in de VS. Wim Liebrand, directeur van Surf, gaf overigens aan dat als een Europees ELO-patent aan de orde is (over een paar jaar), Surf en Jisc zich hier tegen zullen verzetten.